Waarom vraagt uw bank zekerheden?

De activiteit van kredietverlening is onderworpen aan strenge regels. Kredietgevers die deze regels niet naleven, brengen hun aansprakelijkheid in het gedrang. Daarenboven worden kredieten overwegend gefund met spaardeposito’s die de bank ten allen tijde aan haar cliënten moet kunnen terugbetalen. 

Kredietgevers evalueren bij de kredietbeslissing onder meer of de kredietnemer: 
  1. over voldoende terugbetalingscapaciteit beschikt (= de kredietnemer ontvangt voldoende inkomsten om op de afgesproken tijdstippen de overeengekomen aflossingen te betalen) en
  2. voldoende solvabel is (= het vermogen van de kredietnemer is voldoende groot opdat het, in geval het kredietbedrag door omstandigheden niet kan worden afgelost, kan dienen tot de terugbetaling van de uitstaande schuld). 
Kredietverlening is niet zonder risico. Kredietgevers delen deze op in 2 grote blokken: verwachte verliezen en onverwachte verliezen. 
  1. Verwachte verliezen: de kredietgever loopt steeds het gevaar dat de kredietnemer het ontleende kredietbedrag niet terugbetaalt. De kredietgever dient dus voor elk krediet een deel opzij te zetten om deze verwachte verliezen op te vangen. Indien je echter waarborgen kan geven, dan zal dit verwachte verlies kleiner worden.
  2. Onverwachte verliezen: in tijden van economische crisis, zijn er een groot aantal kredietnemers die in gebreke blijven. Hierdoor zijn er mogelijks veel meer verliezen dan verwacht en kan dit de financiële stabiliteit van de kredietgever in het gedrang brengen. Hiervoor dienen de kredietgevers eveneens voldoende eigen vermogen opzij te zetten per krediet om deze onverwachte verliezen op te vangen. Ook hier kunnen waarborgen ervoor zorgen dat dit verlies kleiner zal zijn en er minder eigen vermogen moet opzij gezet worden.
Alvorens dieper in te gaan op de bestaansreden van zekerheden, is het belangrijk voor ogen te houden dat alle schuldeisers in beginsel op gelijke voet aanspraak kunnen maken op gans het vermogen van de schuldenaar tot terugbetaling van diens schulden. Het vermogen van de schuldenaar omvat alle goederen van de schuldenaar, zowel de goederen waarvan hij eigenaar is op het ogenblik van de krediettoekenning als de goederen waarvan hij in de toekomst eigenaar zal worden. Dit betekent concreet dat, wanneer een schuldenaar door omstandigheden in gebreke blijft zijn schulden af te lossen en zelfs indien hij geen zekerheid gevestigd heeft, elke schuldeiser beslag kan laten leggen op de goederen uit het vermogen van de schuldenaar en deze openbaar of uit de hand kan laten verkopen om de opbrengst van deze verkoop aan te wenden ter integrale of gedeeltelijke terugbetaling van zijn schuldvordering (= de gedwongen recuperatie).
 
De hoofdreden waarom een kredietgever een zakelijke zekerheid (bv. hypotheek, pand, …) neemt, is om voorrang te verkrijgen op andere schuldeisers op de opbrengst van het in zekerheid genomen goed in geval van gedwongen recuperatie (in afwijking van het beginsel dat alle schuldeisers gelijk behandeld worden). De hoofdreden waarom een kredietgever een persoonlijke zekerheid neemt (bv. borgstelling, …) is om aanspraak te kunnen maken op het vermogen van de persoonlijke zekerheid indien de kredietnemer het krediet niet terugbetaalt. 
 
Opdat de kredietgever werkelijk beroep zou kunnen doen op zijn zekerheid is het van belang dat deze “tegenstelbaar tegenover derden” is. Dit betekent dat de zekerheid afdwingbaar is tegenover anderen. In een aantal gevallen is de kredietgever verplicht te voldoen aan bijkomende formaliteiten, zoals bijvoorbeeld een publiciteitsvereiste, opdat de zekerheid tegenstelbaar is aan derden. 
Het verlenen van een zekerheid is ook voordelig voor de kredietnemer: een kredietnemer kan een lagere rentevoet genieten. Een kredietinstelling moet aan diverse steeds strengere verplichtingen, opgelegd door nationale en internationale regelgevers, voldoen om te allen tijde haar eigen liquiditeit en solvabiliteit maximaal te vrijwaren. Indien een krediet gewaarborgd is door een zekerheid, moet de kredietinstelling minder eigen vermogen reserveren op haar balans en zijn de kosten voor het krediet in hoofde van de bank en dus de rentevoet voor de kredietnemer, lager. 
 
Een concreet voorbeeld kan dit verduidelijken.
 
Indien de kredietnemer een krediet aangaat voor de aankoop van een onroerend goed zal hem/haar doorgaans gevraagd worden een hypotheek te vestigen op het gefinancierde goed. Hierdoor verkrijgt de kredietgever voorrang op eventuele andere schuldeisers bij de verdeling van de opbrengst van dat goed. 
 
Zelfs indien de kredietnemer geen hypotheek zou gevestigd hebben op het gefinancierde goed, zou de kredietgever hierop beslag kunnen laten leggen indien de kredietnemer door omstandigheden niet meer in staat zou zijn het krediet terug te betalen. In dat geval zou de kredietgever echter geen voorrang hebben op eventuele derde schuldeisers en riskeert hij een deel van zijn schuldvordering niet te kunnen recupereren daar hij de realisatieopbrengst moet delen met de andere schuldeisers die evenmin beschikken over een hypotheek op dit goed. Bovendien zou hij een groter percentage van zijn eigen vermogen moeten reserveren om zijn eigen solvabiliteitsverplichtingen te kunnen nakomen. Het spreekt voor zich dat deze verhoogde kost weerspiegeld wordt in de hoogte van de rentevoet van uw krediet.

Zekerheden: algemene kenmerken

Op deze site wordt een beknopt overzicht gegeven van de belangrijkste zekerheden die in praktijk gebruikt worden. Dit overzicht is zeker niet volledig. 
De vergelijking van de verschillende zekerheden gebeurt aan de hand van volgende kenmerken van de zekerheid:
  1. Voorwerp van de zekerheid = de goederen uit het vermogen van de zekerheidsteller waarop de zekerheid betrekking heeft.
  2. Formaliteiten = is het aangaan van de zekerheidsovereenkomst verbonden aan specifieke vormvereisten opdat die rechtsgeldig tot stand komt tussen de zekerheidsteller en de kredietgever.
  3. Tegenstelbaarheid = welke formaliteiten dienen vervuld te worden opdat de kredietgever zich ook kan beroepen op de zekerheid tegenover andere schuldeisers.
  4. Gewaarborgd bedrag = het maximumbedrag ten belope waarvan de kredietgever aanspraak kan maken op zijn recht van voorrang op derde schuldeisers.
  5. Gewaarborgde verbintenissen = de schulden die de kredietnemer heeft bij de kredietgever die gewaarborgd zijn door de zekerheid. 
  6. Kosten = gaat de vestiging van de zekerheid gepaard met specifieke kosten.